Schoorvoetend door het date-wezen

Er gloort een straaltje licht over de rand van de put vol liefdesverdriet waarin ik ondergedompeld zit. Genoeg licht voor vakantieplannen. Ik neus bij ‘eenouderreizen’ op internet. Reisbureaus denken dat je als éénouder kindervertier wil, misschien om zelf met andere éénouders te flirten. Terwijl ik vruchteloos doorklik, poppen er advertenties op van datingsites. ‘Vind uw droomdate’, ‘gratis proberen’. Ik ben wel nieuwsgierig naar de digitale datingwereld. Volkomen nieuw voor me. Welnee, bijt ik mezelf toe, ik kom toch genoeg mensen tegen in het echt? Ja, maar.. Ik ken lieden met een fijne relatie, die op datingsites begonnen. Maar als de mensen vragen hoe je elkaar hebt leren kennen, is “datingsite” toch een zwaktebod? Lees verder

Share

Postzegels verzamelen

Postzegels wegwerken

Postzegels wegwerken

Toen ik grieperig was, heb ik mijn postzegelverzameling uit de dagen van weleer bijgewerkt. Behalve een verzameling Nederland heb ik albums vol buitenlandse zegels en een een paar thematische verzamelingen: postzegels met vogels, met inheemse zoogdieren, met zeezoogdieren, met vruchten. Twee jaar geleden had ik de verzameling al afgestoft. Dat bleek een rustgevende bezigheid in een chaotische tijd.

Met postzegels begon ik op mijn achtste. Van alle binnengekomen stukken werden de postzegels afgescheurd en verdeeld met mijn vader en broer. Mijn zussen deden niet mee, postzegels sparen was voor jongens. Mijn aandeel weekte ik af in warm water en droogde ik op een handdoek, omgekeerd, zodat de soms nog wat kleverige plakzijde zich niet hechtte. En dan mochten ze in de albums. Honderden, duizenden kleine kunstwerkjes, in series van dezelfde plaatjes met andere kleuren en waarden. Ponden en pence, marken en pfennigs, lei en bani, dirhams en pesos, de hele wereld kwam voorbij. Fuji, Brunei en zoveel andere landen waren gesneden koek. Maar hoe dichterbij, des te geliefder de zegels: Frankrjk, Engeland, België. Nederland stond voorop. Lees verder

Share

Uilen

Ik wist haar te strikken voor een koude winteravond. Middernacht was beter geweest, maar negen uur ging ook best. We liepen door de donkere lanen naar het bos. Daar zaten uilen, wist ik. Ik zwierf graag door het bos, ‘s nachts. Was zij er maar, wenste ik dan, in het stikdonkere bos zou ik haar vast durven aanraken.
Het bos was een zwarte muur; dreigend, geheimzinnig. Je kon nauwelijks een boom onderscheiden. We schuifelden om stammen te ontwijken en geen geluid te maken. Achter iedere boom kon een engbek schuilen, die je naar de keel vloog. Mijn arm om haar heen, dacht ik, hoe krijg ik mijn arm om haar heen, op het veld van de uilen, daar sla ik mijn arm om haar heen. Op die open plek bleven we staan. Kale takken staken boven de zwarte bosrand uit. Ik floot de holle, langgerekte roep van de bosuil, wegstervend in hortende tonen. Iedereen die regelmatig speelfilms ziet, kent dat geluid. Bij een nachtelijke, griezelige of geheimzinnige scene wordt het steevast afgespeeld, ongeacht het seizoen of de plek. Weer deed ik de roep na. Roerloos wachtten we. Ineens klonk in de verte hetzelfde holle gefluit. Ik floot nog eens. Het gefluit antwoordde, vlakbij nu. Er bewoog iets op een uitstekende tak. De plompe contour van een uil. Weer floot ik. De uil rende heen en weer over de tak, zette zich af en zeilde als een brede schaduw geluidloos op ons af. Ik kreeg een mep tegen mijn hoofd. Zij slaakte een kreet. Nu! dacht ik, maar nu was al daarnet. Lees verder

Share