De buurvrouw

Mijn buurman Shirin vraagt me op de thee. Ik woon sinds een jaar in Noordwest-Pakistan, voor het eerst betreed ik zijn tuin. Het ruikt er naar houtskool en naar geit. Zijn drie zonen staan in een rij opgesteld en schudden me de hand. Ik schat hen rond de twintig. Een iets jongere dochter staat in de deuropening van het huisje. Ze glimlacht en trekt langzaam haar sluier over haar prachtige gezicht, waarna ze in de schaduwen achter zich verdwijnt. Twee peuters bekijken me nieuwsgierig, veilig opgesteld achter de stoel van een oude vrouw, vermoedelijk hun oma.

“Mijn vrouw,” zegt Shirin. Het besje glimlacht, ze heeft nog best veel tanden. Shirin zelf heeft er minder, en die hij heeft zijn bruin.

De gesluierde schone brengt thee; mierzoet en in buffelmelk getrokken. Ze buigt voor me langs, haar kameez strijkt langs mijn bovenarm. De geur van, ik ken die geur, is het rozemarijn fladdert mijn neus binnen. Ze kijkt kort mijn kant op met één ongesluierd oog en trekt zich dan weer terug.

“Uw dochter?”

“Mijn vrouw.” Shirin gniffelt. Natuurlijk; zijn tweede vrouw, jonger dan zijn oudste zonen. Vast de moeder van die kleintjes.

Twee weken later zie ik haar weer. Ik loop over het zandpad door de rijstvelden naar huis en zie haar van ver naderen. Gesluierd, maar ik weet dat zij het is. Voor een Pathaanse vrouw is het hoogst ongebruikelijk om alleen op stap te gaan. Ik probeer zo nonchalant en ontspannen mogelijk door te slenteren, maar hoor mijn hart bonzen.

Zal ik haar groeten? Voor je het weet heb je hier een wraak op je hals gehaald. Pathanen zijn trots en hebben een machinegeweer in huis. Ik ben weleens wakker geschrokken van mitrailleurvuur in de buurt. De zwaarste belediging voor een man is flirten met zijn vrouw en op buitenechtelijke seks staat de dood door steniging.

“Salaam alekum.”

“Walekum assalam.” Ze praat zacht, fluisterend haast en trekt met genagellakte vingers haar sluier iets opzij. Een zwarte wimper lonkt boven het donker glanzende oog. Ja, het is rozemarijn. Of rozengeur?

Ik zweef mijn huis binnen.

Die avond mis ik de rust om te lezen. Als zoals altijd om acht uur de stroom uitvalt, open ik een van de schaarse flessen wijn die ik van de barbier heb gekocht. De barbier is de koppelbaas voor verboden waar. Ik koop geen opium, geen wapens, geen liefde, maar wel wijn, als er wijn is. Ik drink bij kaarslicht en mijmer.

Ineens wordt er geklopt op de zijdeur. Die zijdeur gebruik ik nooit en gaat buiten schuil achter struikgewas. Zou zij…?

Ik trek de grendel weg en een schim glipt naar binnen. Twee ogen glinsteren. Ze ruikt naar nee, het is geen rozemarijn, het is lavendel. Ze zoent me vochtig op mijn neus. Onder haar wijde kleding liefkozen mijn vingers de vlinders in haar buik. Ze heeft druiven meegebracht, die ze me met mijn lippen uit haar navel laat plukken. Mijn tong wandelt naar beneden en zoent en drinkt en likt en zuigt. Zonnedauw. Ze kronkelt me eruit en ik hap terug en ik reik naar haar borst, haar tepel popt overeind. Mijn andere hand grijpt haar billen met een gestrekte vinger ertussen en ze kreunt, ze kreunt zo… kreunt in het Pashtu, kan dat? Kunnen mensen in hun eigen taal kreunen en klaarkomen? En huilen en lachen?

Plotseling floept de lamp aan. De radio ruist. Zo laat al? Ze vliegt op, rangschikt haar hoofddoek en kameez en wappert de zijdeur uit.

Af en toe kom ik nog bij Shirin. De oude vrouw serveert de thee. Soms doet Shirin het zelf. Naar zijn jongste vrouw vragen is uitgesloten. ’s Avonds, als de stroom uitvalt en ik zuinig probeer te zijn met de wijn, lukt lezen matig. Mijn oren blijven hopen op die klop op de deur.