Rallenman ontdekt nieuwe vogelsoort

VIJFTIG JAAR ACHTER WATERRALLEN AAN

In Trouw dinsdag 10 maart 2015

Rallenman Gerard de Kroon

Rallenman Gerard de Kroon

“Ik zag mijn eerste waterral als toevallig bijproduct. Ik was in de 30 en deed ’s winters mee aan waterwildtellingen: eenden, ganzen, futen enzo. Waterrallen zie je niet, dus die werden niet geteld. Ik liep door de uiterwaarden langs een getijderietgors. Ineens glipte er iets voor mij langs het riet in, van links naar rechts. Later gebeurde dat nog een paar keer. Tenslotte zag ik er een vliegen, met hangende poten en fladderende vleugels. Ik zocht hem op in mijn vogelboek: een waterral dus. Die geheimzinnige vogels intrigeerden me, ik zag ze hooguit in een vloek en een zucht.”

Gerard de Kroon (79) zit al bijna vijftig jaar achter waterrallen aan. Hij hoorde en bekeek ze, ving ze en liet ze weer vrij, ringde, woog en mat ze en reisde ze achterna door Europa en Azië. Zijn vrouw Maria vergezelde hem en werd van lieverlee ook vogelonderzoekster. Onlangs verscheen De Kroons lijvige boek De Vinkenvent over een leven vol waterrallen.

Waterral met visje. Foto Gerard de Kroon

Waterral met visje. Foto Gerard de Kroon

“Ik groeide op in Gorinchem”, vertelt De Kroon, “aan de Merwede. Dat was een getijderivier met twee tot drie meter verschil tussen eb en vloed. Ik struinde en speelde er graag. De getijdezone bleek ideaal voor rallen, die achter de waterlijn aandribbelden en daar een overvloed aan voedsel vonden. Maar dat wist ik toen nog niet. Ik verdiende de kost als muziekleraar en bezocht eens een bevriende organist in Zwitserland. Die nam me mee de bergen in, waar ik gegrepen werd door de bloemen- en vogelrijkdom. Daar begon mijn belangstelling voor de levende natuur.
Ik ging watervogels tellen en ontdekte bij toeval de waterral. Ik bleef uren zitten bij een kreek in het riet, om rallen te zien scharrelen. Ze liepen snel en verdwenen altijd weer in het riet. Ik hoorde ze vaker dan dat ik ze zag: ze gillen als een big. Ik begon me af te vragen hoeveel er waren, of ze ’s winters wegtrokken, wat ze aten, hoe ze leefden. Daarom ben ik ze gaan vangen.”

Toen de deltawerken in 1972 een eind maakten aan de getijden, toog hij naar andere gebieden om rallen te vangen en te ringen. Eerst werd de Zouwenboezem bij Lexmond uitgeplozen, daarna Vlieland en het Lingegebied tussen Leerdam en Gorinchem. Hij kreeg terugmeldingen van geringde rallen, bijvoorbeeld uit Engeland, Frankrijk en Finland. Hij schreef een boekje over de waterral, dat in 1980 verscheen bij uitgeverij Kosmos. Het is een uitverkocht verzamelaarswerkje, dat nodig een update behoeft, want sindsdien zat De Kroon niet stil.
In vogelboeken las hij over vijf ondersoorten van de waterral, zoals een IJslandse, Midden- en Oost-Siberische waterral. Dat intrigeerde hem. Hij bezocht natuurmusea over de hele wereld, waar hij balgen van waterrallen bestudeerde. Balgen zijn geprepareerde dierenhuiden. Op grond van tientallen balgen veronderstelde De Kroon dat de vijf ondersoorten terug te voeren waren tot twee aparte vogelsoorten. “De IJslandse ondersoort bijvoorbeeld werd genoemd op basis van één ral met afwijkend verenkleed”, vertel De Kroon. “De andere IJslandse rallen bleken identiek aan de Europese waterral. Dat was echt geen aparte ondersoort.”

De Kroon reisde met zijn vrouw Maria naar moerassen van IJsland tot Japan, om waterrallen te bestuderen en ringen. Niet overal verliep hun waterrallenzoektocht gesmeerd. Op IJsland konden ze geen levende ral meer vinden, de soort is er in 1962 voor het laatst betrapt op broeden. In Siberië werden ze op advies van een Russische ornitholoog naar de Kirenga-rivier gestuurd, waar vrijwel geen riet bleek voor te komen, laat staan waterrallen. De Russische ornitholoog was teleurgesteld toen bleek dat de Nederlandse waterrallenonderzoekers niet op zoek waren naar de daar talrijke kwartelkoningen en tureluurs.
Daar stond dan weer tegenover dat de Russen voor het vervoer over de zompige taiga een jeep en zelfs een heuse tank voor De Kroon regelden, een erfenis van het Rode Leger.
Nochtans zakten zij met tank en al weg in de modder, maar veel vaker nog zonder tank. Ze werden opgegeten door cumuluswolken steekmuggen, kampten met burocraten en oplichters. De Kroon sneed zich lelijk aan zijn rietmes, kreeg het verschrikkelijk aan zijn ingewanden, trapte in een lange roestige spijker en brak tijdens de laatste waterrallenreis zijn enkel, zodat hij in gips en op krukken terugkeerde.

Die laatste reis ging naar Japan. Eind jaren ’90 lokte de waterral het onderzoekspaar daarheen. “Daar kwamen waterrallen voor”, wist De Kroon, “volgens de boeken een Aziatische ondersoort. Wij gingen met een zeer hulpvaardige Japanse ornitholoog een moeras in. In de modder vonden we pootafdrukken. Bingo, dachten we. Maar we kregen nooit antwoord op de biggenroep die we op een cassetterecorder afdraaiden. In Nederland reageren waterrallen daar bijna altijd op. Alleen als ze op de eieren zitten, houden ze zich vrij stil. We vroegen ons af of de Japanse rallen misschien een ander dialect spraken.”

Jonge waterrallen. Foto Gerard de Kroon

Jonge waterrallen. Foto Gerard de Kroon

Op een dag in Japan raakte De Kroon zijn vrouw kwijt in het moeras. Bezorgd liep hij terug. Ze was niet weggezakt, maar gebaarde dat hij moest komen luisteren. “Het leek wel een brulkikker”, herinnert Maria zich, “maar het was toch echt een rallengeluid.”
Ze namen het geluid op. Gerard laat het horen. Klinkt de biggenkreet van een Europese ral als een schel “ku-wieh kwieh kwieh kwiehk”, de Japanse ral roept op zijn gemak “tjuu kwuu tjuu tjuu tjuu” of opgewonden “jork jork jork, jo jork!” en ook wel `tjowwie, tjowwie, tjowwie`. Met meegebrachte vallen vingen de rallenmensen japanse rallen, die groter en veel donkerder bleken, bijna zwart. De Kroon vermoedde dat de rallen van Japan en Oost-Siberië al heel lang gescheiden leefden van de Europese soort, zodat ze niet alleen een ondersoort, maar zelfs een echt aparte soort vormden.
Maar aan de hand van nuanceverschillen in omvang, gewicht en kleurverschillen kon De Kroon dat niet hard maken. Daarom liet hij in het Royal Ontario Museum een analyse van DNA-analyse uitvoeren op de 75 bloedmonsters die hij in Europa en Azië van levende waterrallen verzameld had. “Het mitochondriaal DNA van de Japanse rallen verschilde meer dan drie procent van de andere”, grijnst de onderzoeker, die er in 2010 een wetenschappelijke publicatie aan overhield. Een jaar later erkende de Europese Ornithologische Commissie de Aziatische waterral Rallus indicus als een nieuwe, aparte vogelsoort. “Zo blijk ik vijftig jaar niet achter één vogelsoort te hebben aangezeten, maar achter twee soorten”, grijnst De Kroon.

De Vinkenvent, 19,95 incl. verzending, bij de auteur ghjdekroon.rallus@wolmail.nl