MAAK NEDERLAND WEER ON-NEDERLANDS MOOI

Landschapsbeschermer Jaap Dirkmaat steekt van wal

Openheid en kaalheid lijken karakteristiek voor het platteland, maar tot voor kort lag Nederland vol met sloten, houtwallen en hagen. Jaap Dirkmaat wil het kale landschap weer mooi maken. Als voorproefje laat hij landschapsreservaat De Maasheggen zien.

Een gehelmde man in oranje veiligheidsvest zaagt met een motorzaag de vuistdikke stam van een meidoorn een decimeter boven de grond tot de helft in. Scheef, zodat de boom zich laat buigen zonder uit te scheuren. Met een snelle beweging zaagt hij de kruin en enkele zijtakken af. Uit alle wonden zullen nieuwe loten ontspruiten. Dan doet hij hetzelfde met de es ernaast. De omgebogen bomen leunen op elkaar. Zijn collega, eveneens van de Stichting Cultuurlandschap Nederland, prikt elke halve meter een staak van hazelaarhout in de grond. Die paaltjes houden de heg op zijn plaats. Door er ineengevlochten wilgentenen op te leggen kunnen de bomen niet opveren. Als de wilgentenen en hazelaarstaken weggerot zijn is de heg uitgelopen en dichtgegroeid tot een ondoordringbare veekering.

‘In Limburg en Brabant zijn langs de Maas eeuwenlang op deze manier heggen gevlochten’, zegt Jaap Dirkmaat (46), voorzitter van de Stichting Cultuurlandschap Nederland en bekend van Das & Boom. ‘Als perceelsafscheiding en veekering. Sloten waren geen optie, want de oevers liggen al gauw twee meter hoger dan de rivier zelf. Men had ze dus idioot diep moeten graven en ze waren bij overstromingen dichtgeslibd.’ Op de linker Maasoever weet Dirkmaat bij Groeningen diverse monumentale resten vlechtheg te vinden. Eén hoogbejaarde es spant de kroon. Zijn dikke, knoestige voet draagt een horizontale stam van anderhalve meter lengte, waaruit een rij jongere stammen optorent. ‘Die is lang geleden ingezaagd en omgebogen’, vertelt Dirkmaat, terwijl hij zijn hand op de bemoste bast legt. ‘Al zal men geen motorzaag gehad hebben. De nieuwe loten groeiden uit tot stammen die men als timmer- en brandhout gebruikte. Die daar’, hij wijst op de jongste loot aan de stam, ‘had opnieuw ingezaagd en gebogen kunnen worden.’

Op diverse plekken in Oost-Nederland heeft Dirkmaat restanten vlechtheg gevonden. En overal in het land elzenhagen, houtwallen, tunen (plaggenwallen), struweelhagen, veenweidesloten, graften (terrassen), soms deels in tact, meestal verwoest of zwaar beschadigd. Hij schreef er een boek over, dat zijn Stichting Nederlands Cultuurlandschap samen met de ANWB eind maart uitgeeft. ‘We begonnen 7000 jaar geleden met landbouw. Sindsdien veranderde Nederland in cultuurlandschap: hei, hakhout, hooiland en landbouwgrond met heggen, houtwallen en sloten. De afgelopen eeuw hebben we daar 95 procent van vernietigd. We kunnen het land weer mooi maken, maar dan moeten we haast maken. Anders zijn er geen boeren meer, en boeren zijn de pijlers onder het cultuurland. Nog even en er zijn alleen nog enkele agrarische megabedrijven, zoals varkensfabrieken. Allerlei lieden staan klaar om het platteland over te nemen. Wat er overblijft is bebouwing zonder natuur in een steriel landschap met afgebakende natuurreservaten. Terwijl de lieflijkheid van het landschap juist zit in zachte overgangen tussen cultuur en natuur.’

Rond 1900 was het Nederlandse platteland opgedeeld in percelen van ongeveer een hectare, afgescheiden door 450 duizend kilometer sloten, hagen en houtwallen. Alleen de zeekleipolders van Noord-Friesland en Noord-Groningen waren open en kaal. Ook de Zeeuwse polders en de uiterwaarden van de grote rivieren werden doorsneden met hagen. De Hollandse veenweiden werden gescheiden door sloten, waarlangs wilgen opschoten die geknot werden. Tijdens de ruilverkavelingen van de twintigste eeuw zijn de meeste hagen gerooid, wallen afgegraven en sloten gedempt. ‘Nu denken mensen dat Nederland altijd open en kaal is geweest’, zegt Dirkmaat hoofdschuddend. ‘Waar nog restjes gespaard zijn, zeggen ze: “wat is dit on-Nederlands mooi”, zoals de Maasheggen hier. Terwijl Nederland destijds nog mooier was dan de omringende landen, want het was veel kleinschaliger en afwisselender. Iedere provincie had zijn eigen type boerderij en perceelsafbakening. De veerassen en weidehekken verschilden per streek. Daar is bijna niets van over. In Duitsland is ook ruilverkaveld, maar daar heeft men singels aangeplant: overal dezelfde bomenrijen. Saai, maar leuker voor dieren dan onze kaalslag. En in Duitsland lieten ze de buurtschappen met rust. Onze boeren moesten vaak verkassen naar ruilverkavelingsboerderijen, Hun boerderijen werden verbouwd tot woonboerderettes. In Engeland en Frankrijk was geen ruilverkaveling van hogerhand. Daar rommelden boeren zelf wat. Ze maakten de percelen groter, maar die haag had de boer zelf van kinds af onderhouden; die rooide hij alleen als hij in de weg stond. Die eiken had zijn opa geplant, die liet hij staan. Dat drassige veldje met orchideeën werd te duur om te draineren, want dat had hij zelf moeten betalen. Bij ons kwamen voorlichters en ingenieurs van buiten de streek. Die hadden geen last van nostalgie. Van het mooiste land van West-Europa maakten ze het lelijkste.’
Maar niet voor altijd, als het aan Dirkmaat ligt. Zijn boek heet tenslotte Nederland weer mooi. Er is nu ongeveer 200 duizend kilometer aan kavelgrenzen. Als je die voorziet van houtwal, haag of sloot of er alleen maar onbespoten randen braak zou leggen, ziet het land er volgens hem binnen een paar jaar al een stuk prettiger uit. De percelen zijn vijf keer zo groot als vroeger, de heggen hoeven niet meer met de hand gevlochten en gesnoeid te worden. ‘Als die boeren vroeger met primitieve werktuigen onbedoeld al een schitterend landschap maakten, wat kunnen wij met onze machines dan doelbewust niet bereiken? Een prachtig landschap met dieren, planten en recreatieve mogelijkheden.’ Dirkmaat stelt voor een kwart van die 200 duizend kilometer te voorzien van wandel-, fiets- of vaarroutes, een kampeerplek hier en daar. ‘Wat een economisch wonder zou het platteland dan worden! Nu noemt men de Rotterdamse haven een economische motor. Die levert zes mijard per jaar op. Maar de investeringen erin zijn fors – alleen al de Betuwelijn kost ruim zes miljard. En dan de tweede Maasvlakte nog. Maar de toeristensector boekt op de laatste plukken mooi landschap al een omzet van acht miljard per jaar. Aanleg en onderhoud van 200 duizend kilometer perceelsrand zou 600 miljoen per jaar kosten en maakt heel Nederland weer mooi. Hoeveel miljarden zou dat opleveren?’

Dirkmaat komt op zijn vijftiende voor het eerst een das tegen, op klaarlichte dag tussen de bosanemonen en sleutelbloemen in een eikenbroekbos (>nu groeien daar vooral bramen=). Vlakbij dat bos komt de A-73. De jonge Dirkmaat ontdekt dat dassen doodgereden worden en dat voor het zandlichaam van de weg dassenburchten zijn afgegraven. Hij richt Das & Boom op, dat ervoor zorgt dat de hoeveelheid dassen in 25 jaar verdrievoudigt. Ondertussen kwijnt de wilde hamster weg, terwijl natuurbeschermingsorganisaties ruzieën over het exacte aantal overgebleven hamsters. Dirkmaat herinnert zich dat de otter tien jaar eerder mede door zulk gekrakeel uitstierf. Nu wil hij de hamster redden met een fokprogramma, en krijgt enkele natuurorganisaties over zich heen, die fokken onnatuurlijk vinden. Hij regelt hamsterreservaten, maar de daar uitgezette dieren worden door vossen opgegeten. Uiteindelijk zullen hamsters het met vossen moeten zien te redden, maar tijdelijk sta je volgens Dirkmaat voor de keus tussen een beschermde diersoort afschieten of een met uitsterven bedreigde soort te laten uitsterven. Hij wekt de woede van dierenvrienden die tegen de jacht zijn. Zelf zegt hij jacht niet toe te juichen, maar er evenmin altijd principieel tegen te zijn.
Het gaat hem steeds minder om hamsters en dassen zelf, steeds meer om hun leefomgeving. Dirkmaat verhindert nieuwe wegen en bedrijventerreinen met jurididsche procedures. Hij beroept zich op beschermde diersoorten als de zeggekorfslak, wat hem doodsbedreigingen oplevert. (>Alsof ik die natuurbeschermingswetten heb bedacht.=) Als de zuidelijke A-73 desondanks door enkele van de zwaarst beschermde natuurgebieden van Nederland wordt aangelegd, stopt Dirkmaat met de juridische strategie. Ook een politiek uitstapje als lijsttrekker van de Groenen blijkt heilloos. De partij haalt de kiesdrempel niet en heft zich op.
Terug naar de natuur, of liever: het agrarisch cultuurlandschap van das en hamster. Hij is nog steeds wars van auto=s, heeft zelf geen rijbewijs, maar in plaats van met wegen verhinderen houdt Dirkmaat zich nu bezig met het herstel van dat cultuurlandschap. Zijn boek daarover publiceert hij zelfs met de autorijdersbond ANWB. (Nederland weer mooi, € 24,95, ISBN 9018021393. Meer achtergrondinformatie: Nederland Weer Mooi, Het Boek )

Dirkmaat heeft zich bekommerd om dassen, hamsters, knoflookpadden, boomkikkers en zeggekorfslakken. De meeste daarvan bleken weinig om ongerepte natuur te geven maar zijn aangewezen op agrarisch cultuurlandschap. Zo raakte Dirkmaat geïnteresseerd in het door mensen gemaakte landschap met zijn vele wilde planten en dieren. Hij verdiepte zich in de geschiedenis ervan en ontdekte bijvoorbeeld dat de opmars van Julius Caesar langs de Maas enorm werd bemoeilijkt door de honderden ondoordringbare heggen. Caesar schreef over een volk tussen Maas en Schelde dat bomen half inzaagt en over elkaar legt. Dirkmaat las over het oude ambacht van heggenvlechter. Daarvan bleken er langs de Maas nog een paar te leven: vitale grijsaards van boven de negentig. Deze nestors leerden het vak aan een aantal hoveniers in dienst van Dirkmaats stichting: de zagende mannen in oranje vest.
‘We herstellen de hagen in dit landschapsreservaat’, vervolgt Dirkmaat. ‘Een soort museum, een landschapsmonument. Je haalt het toch ook niet in je hersens om het Muiderslot of een schilderij van Rembrandt weg te gooien? Maar wat deed men met het landschap? Neem nou Staphorst…’ Bij Staphorst begon de grote ruilverkaveling van Nederland. In Nederland weer mooi is te lezen dat de Staphorster boeren op bijbelse gronden hun nalatenschap altijd eerlijk verdeelden over alle zonen. De percelen versnipperden daardoor steeds verder, altijd in de lengte. In de jaren ‘30 waren ze honderden meters lang en zo smal dat zich soms geen tractor meer tussen de elzenhagen kon doorwringen. De overheid greep in. In de jaren ‘60 waren van de 13 duizend smalle landjes 1900 percelen gemaakt. Hij begrijpt wel dat er ruilverkaveling nodig was, maar dat het zo drastisch gebeurde vindt Dirkmaat onvoorstelbaar.
‘Er is geen meter van overgebleven, terwijl het een uniek cultuurlandschap was. De VN zouden het nu zonder meer tot werelderfgoed bestempelen. En zo weet ik meer voorbeelden. De Limburgse graften, akkerterrassen op de hellingen om erosie te voorkomen, zijn vrijwel helemaal weggevaagd. Erosie is nu weer een probleem daar. Alleen in de Friese Wouden en het aangrenzende Westerkwartier van Groningen is verkaveld in nauw overleg met de boeren. Daar zijn nog veel elzenhagen over. Dat coulissenlandschap is een begrip in Friesland. Toen daar een Brabantse boer neerstreek, begon hij te rooien. Hij werd meteen op het matje geroepen door zijn buren, die herplanting afdwongen. De boeren zijn er trots op hun landschap, ze onderhouden het ook. Maar daar krijgen ze nauwelijks subsidie voor. Nu is subsidie ook niet de manier. Of boeren nou zorgen voor bloemkolen of geelgorzen, ze zouden ervoor betaald moeten krijgen. Nu is het zo dat een boer die iets voor het landschap doet minder verdient dan zijn collega die dat niet doet. De minder intensief boerende boer wordt dus afgestraft en loopt het risico op faillissement.’
Geld voor landschapsherstel verdient zich volgens hem terug aan recreatie (bij het boek heeft hij alvast een wandelroute door de Friese Wouden en tien andere wandel- en fietsroutes gevoegd) en zou uit de toeristenbelasting gehaald kunnen worden. ‘Dan gaat er eens een iets van het met het landschap verdiende geld terug naar dat landschap’, zet Dirkmaat.

De Maasheggen zijn al even uniek als de bijbelse gronden van het Staphorst van weleer. Langs de andere rivieren zijn wel sloten gegraven waar spontaan struweelhagen opschoten, maar alleen hier werden hagen als veekering aangeplant, zonder sloot. Tweeduizend jaar geleden hadden ze nog geen kwekerijen en haalden boeren jonge boompjes uit het bos. Volgens Dirkmaat zijn de eeuwenoude hagen daarom een genenbank van materiaal dat van oerbossen afstamt. Van de naar schatting meer dan duizend kilometer maasheg is nog 185 kilometer over. Kornoelje, kardinaalsmuts, kamperfoelie; er groeit van alles in. Zaden ontkiemden uit vogelpoep en dreven met de rivier mee. ‘Ook in België en Frankrijk stonden heggen op vlakke stukken langs de Maas, maar die zijn allemaal vervangen door campings en industriegebieden. Dit is dus het enige overgebleven stukje.’ Terwijl Dirkmaat vertelt, ziet hij ineens een heg die gevlochten is ‘op Brabantse wijze’. Brabantse wijze? ‘Dat is net zoiets als de Franse slag’, lacht hij. We volgen de Brabantse haag en hij wijst op het verschil met de andere vlechtheggen die we zagen. Deze hebben geen houten paaltjes en wilgentenen nodig ter versteviging, want de gesnoeide bomen zorgen zelf voor stevigheid. Elke vijfde stam wordt niet laag, maar op ongeveer een meter hoogte ingezaagd en omgelegd. Zijn gewicht houdt de andere, lager afgezaagde bomen in bedwang.
Kramsvogels vliegen op uit een overstaander. Dat is een es of eik die door mocht groeien voor hardhoutproductie. De overkant van het veld wordt begrensd door een met bramen overwoekerde houtwal. ‘Geen houtwal’, corrigeert Dirkmaat, ‘maar een rivierduin. Vroeger zullen hier bosanemonen gestaan hebben.’ Tussen de bramen zijn zandige holen gegraven: een dassenburcht. Even verderop is de grond omgewoeld alsof er wilde zwijnen hebben huisgehouden. ‘De grens van twee dassenterritoria’, weet Dirkmaat. ‘Ze komen elkaar hier ‘s nachts tegen en dan schermutselen ze wat. Geheid dat er een drol ligt ter markering.’ En inderdaad, in een kuiltje glimt een dassenbolus.

In NRC-Handelsblad, 19 maart 2005