De teloorgang van de huismus

Aan vogels geen gebrek in de bebouwde omgeving. Maar de huismus, ooit talrijkste vogel van Nederland, holt achteruit. Op het platteland met liefst vijftig procent, maar hoe zit het met de stadshuismus?

Koos Dijksterhuis

De rode zon gluurt langs de oude kerk van Noorddijk aan de stadsrand van Groningen. Het is half zes in de morgen en de vogels popelen. Merels kwelen hun melancholische lied, ineens overstemd door de oorverdovende trillers van een winterkoninkje. Ik loop richting stadshart en zie door een opening tussen de rijtjes nieuwbouwhuizen de Martinitoren aan de einder. Overal klinkt de schelle tweeklank van koolmezen, die nestkastjes aan het inspecteren zijn. In een uitbottende berk doet een putter zijn best op zijn neuzelende deuntje. Mannetjes-putters zijn geen beste zangers; zij moeten het in hun versierpogingen hebben van hun felgele vleugelstrepen en rode snoet. De zanglijster in de meidoornhaag doet het beter: luid schallen zijn coupletten over de slapende wijk. Hij laat verschillende wijsjes horen die hij drie, vier keer herhaalt. Ik beland in Lewenborg, een wijk uit de jaren zeventig. Dat het vele groen hier al wat ouder is, is te horen. In een kilometer hoor ik wel tien soorten vogels, waaronder de fitis met zijn zachte riedel die van hoog naar laag kabbelt, het ijle, verlegen roodborstliedje en de heldere klanken van een zwartkop. In de kruin van een kastanje knarst een groenling. Overal slaan vinken hun slag en tjiftjaffen tjiftjaffen.
Ik volg de oude Stadsweg, nu fietspad, en steek de Ringweg over. Een blauwe reiger waadt door een stadsvijver. Eerst schuift zijn kop een decimeter naar voren, terwijl de rest van de reiger roerloos blijft staan. Dan stapt hij bedachtzaam naar voren, met bewegingloze kop. ‘Tjak!’ hij spiest iets. Op de lantaarns aan de sluizen van Oosterhogebrug rusten aalscholvers uit. Kokmeeuwen komen over het Eemskanaal aangevlogen en zwenken het Winschoterdiep op. Ik beland in de Oosterparkwijk, berucht geworden door rellen en schandalen, maar vredig ogend met de tuinstoelen die voor sommige voordeuren op de stoep staan. De oosterparkers slapen nog, maar de duiven zijn al wakker. Ze koeren uit volle borst. Drie dikke houtduiven schermutselen op een roestige tv-antenne. Hun gekoer heeft vijf klanken, terwijl de Turkse tortels in de bomen een drieklank ten beste geven. Een spreeuw zit in een hulstboom te mompelen. Spreeuwen wordt zelden een groot zangtalent toegedicht, terwijl ze als naaste verwant van de wielewaal toch tot de zangvirtuozen horen. Ze plagiëren andere soorten met een timbre waar de nagebootste vogel jaloers op kan zijn.
Een taxi stopt voor de ingang van het Academisch Ziekenhuis. De auto trekt weer op en dan is het zowaar stil. Geen vogel zingt hier, alsof ze de schoorstenen van het sterfhuis ruiken en bedrukt zwijgen. Maar in de oude wijk vlak buiten de Diepenring zwelt een hoog gegier aan: ‘hiehiehie’. Een eskader gierzwaluwen sjeest de straat door, vlak over me heen, op jacht naar late nachtuilen of vroege dagvliegen. Ik kruis het Lopende Diep. Een paar honderd meter voor me rijst de Martinitoren op. Ik wandel om de Martinikerk heen, het Martinikerkhof op. In de top van een bejaarde boom zingt een heggenmus een snel, zenuwachtig wijsje. Hij laat zich zonder schroom bekijken; door de verrekijker zie ik het kleine, bruingrijze vogeltje. Elke keer als het liedje klinkt, spert hij zijn spitse snavel wijd open. Die puntsnavel verraadt dat de heggenmus vooral een insecteneter is, net als de zwartkop, en helemaal geen

mus. Mussen hebben juist een dikke, stompe snavel. Daarmee kunnen ze beter zaden kraken dan insecten grijpen. Ik slenter naar de Folkingestraat in de hoop dat daar al een café open is. ‘Beng, beng…!’ Zeven heit de klok van de A-kerk. De kroegen zijn dicht. Behalve koffie mis ik nog iets. Dit verhaal moet over mussen gaan en ik heb nog geen mus gezien of gehoord. Okee, een heggenmus, maar dat is dus geen mus. Ik been naar een binnenplaats, waarvan ik weet dat de muren gebukt gaan onder een dikke, stokoude klimop. En ja hoor, daar zijn ze. ‘Tjip, tjiep, tjup’, ze hebben heel wat te vertellen daar in de klimop. Ik offer een krentenbol op en weldra huppen de mussen om me heen. De mannen met hun kastanjebruine rug, grijze kruin en zwarte bef, de vrouwen in bruin camouflagepak. Hip hip, tjup tjup, hebbes en lijnrecht snorren ze met een kruimel de klimop in.