Een goedmoedige schommel

Uw botten zouden versplinteren als een das erop knabbelde. Misschien op hyena en veelvraat na heeft geen zoogdier zulke sterke kaakspieren als de das. Vreemd, want een das eet vooral wormen, larven, kikkers, muizen, vruchten en honing; grut dat ie zonder kauwen in zou kunnen slikken. Die kaken passen ook niet bij het karakter van de das. Een goedmoediger schommel is moeilijk te vinden. Met vele soortgenoten bewonen ze een uitgebreid holenstelsel: de burcht. Zelfs vossen worden door dassen in de burcht getolereerd. ‘s Avonds komt de das te voorschijn. Eerst snuffelt ie of er gevaar dreigt. Dan poetst het propere dier zijn pels, waarna de hele familie elkaar begroet. Men stoeit, vlooit, snuffelt en deelt muskus uit, de geurstof waaraan dassen elkaar herkennen. Na eventuele reparaties aan de burcht trekt de das erop uit. Hij schommelt het bos door, naar drassige velden, akkers of houtwallen, want daar zijn wormen en knaagdieren te halen. Voor zonsopgang rolt hij zich weer op in zijn burcht.

Niet dat dassen nachtdieren zijn. Waarschijnlijk zijn ze in Nederland door menselijke drukte en bejaging naar de nacht verbannen. Ze zijn ‘s nachts even blind als wij maar een das heeft een ongelooflijk fijne neus. Daarom mag ik me niet scheren van Ko Maring, als ik met hem mee mag om bij een burcht te posten. Ko is veldmedewerker van It Fryske Gea en weet veel over dassen. Het gaat goed met de das in Friesland, zegt men. Uit Gaasterland zwermen ieder jaar jonge dassen uit. Die komen onder een auto of verdrinken in een kanaal. Ze kunnen goed zwemmen, maar de met balken verstevigde oevers zijn hen te steil. Een eindeloos en vergeefs gekrabbel leidt hun roemloze dood in. In Zuidoost-Friesland werd de das uitgeroeid, want mensen roeien nou eenmaal graag dieren uit, maar hun burchten trotseerden de jaren. Reden om dassen te verhuizen naar de zuidoosthoek. In de jaren ‘90 zijn er een stuk of twintig uitgezet. Ze namen hun intrek in oude burchten en wisten zich te handhaven. Het aantal bewoonde burchten neemt nu vanzelf toe, er is al een Friese das in Drenthe gesignaleerd. Zolang ze parallel aan Koningsdiep en Tjonger reizen, kunnen ze een eind komen. Wie die wateren wil overzwemmen, verdrinkt. Ook wegen vormen barrières. Maar de dodelijkste wegen zijn afgeschermd met hekken waarlangs een wandelende das bij een dassentunnel komt. Coen Klein Douwel, van de Vereniging Das&Boom, neemt me een dagje mee en laat die tunnels zien. Eén ervan is ingestort, een andere ziet er goed uit. Aan weerszijden van de weg zijn de wissels (looproutes) duidelijk in het gras te zien. Dassen hebben korte pootjes en vegen het gras plat met hun buik. Koen laat me drie bewoonde burchten zien. Forse heuvels die tientallen, misschien wel honderden jaren geleden al door dassen zijn doorzeefd met gangen en holen. Bij sommige ingangen ligt vers, wit zand voor de deur. We vinden een dassenhaar. En een prachtige afdruk van een dassenpoot in de modder. Een kuiltje met vier kleine kuiltjes: de tenen. Zelfs de nagelafdrukken zijn te zien, één voor elke teen. Een das heeft grotere voor- dan achterpoten. Met die kolenschoppen graaft hij naar voedsel. We zien een zompig grasveld dat is omgeploegd. Het lijkt wel of er een kudde wilde zwijnen aan het werk is geweest maar Coen weet zeker dat het dassengewroet was.

Ik zou wel eens een echte das willen zien. Al drie keer heb ik een lange avond roerloos bij een burcht zitten wachten, uit de wind, één keer zelfs in een boom. Ik zag uilen en muggen, veel muggen, maar een das nog nooit. En nu er zoveel dassen in Zuidoost-Friesland zijn, moet dat toch een keer lukken. Met Ko Maring op stap dus. We gaan om acht uur zitten, op veilige afstand van, maar met zicht op de voordeur van een bewoonde burcht. Zwijgend. Roerloos. Zzzzz. Mug bij mijn oor. Gezoem, gekriebel, geprik. Gnobben, noemt Ko die rottigste rotmugjes ter wereld. Ze dringen door je haar en kleren tot elke centimeter huid. Hun beet voelt als een speldenprik, hun bultje jeukt, dat gekriebel is gekmakend. Zeker als je stil moet zitten. Had ik maar muggenolie, denk ik, o nee, dat zou een das ook ruiken.
Een ree-hinde schuift geruisloos voorbij op tien meter afstand. Haar baby volgt op de voet. Oranjebruin lichten ze op in de avondzon, onder de donkere bomen. De baby kijkt me minutenlang aan, het beeld vullend van de verrekijker. De oren gespitst, de ogen als schoteltjes, de natte snuffelneus. Zanglijsters zingen. De duisternis valt met tropische snelheid. Een regenbui klatert neer. Dan klaart het weer op. Geritsel achter ons. Daar loopt warempel een vent met twee Jack-Russellterriërs. De man deinst terug nog voor we zijn gezicht kunnen herkennen. We zitten hier in het hart van een verboden natuurreservaat, zo ver van de bewoonde wereld als in Nederland maar mogelijk is. Die man loopt hier niet toevallig. In Engeland sporen zulke terriërs dassen op, waarna hun baasjes ze uitgraven. Die dassen moeten, met uitgerukte hoektanden en nagels, vechten tegen honden. Die baasjes gokken op de afloop. In Nederland worden zulke honden wel afgericht. Zou die vent hier met zijn terriërs hebben willen oefenen?

De belangrijkste reden dat de Nederlandse das in aantal achteruit is gehold, is trouwens die stroperij niet. Dat is de teloorgang van het kleinschalige landschap met akkers en weiden, afgewisseld door houtwallen en beken. De das moet almaar verder op pad om zijn kostje op te scharrelen en stuit onderweg op razend verkeer. Zoekt een ander dier een heenkomen elders, als zijn leefgebied bestraat wordt, de das blijft zijn burcht trouw. Waar zou hij anders heen moeten? Nederland is tenslotte het dichtst geasfalteerde land ter wereld. De das verlaat zijn burcht hooguit voor een tijdje, maar keert zeker terug. Tenzij de burcht verdwijnt. Momenteel worden volgens Das&Boom door stadsuitbreiding en wegenbouw in Nederland zestig bewoonde dassenburchten bedreigd. Zestig!
En die dassen maar weer op pad. Gewoon de weg over schommelen. Dé doodsoorzaak van dassen is het verkeer. Elk jaar worden er vierhonderd platgereden, een flink aantal als je bedenkt dat er maar 2200 dassen zijn. Aangereden dassen en baby-dasjes wier ouders door een auto de das om zijn gedaan, worden opgelapt door Das&Boom in Beek-Ubbergen. Vindt Ko een doodgereden das met dikke tepels, dan weet hij dat ergens een burcht met dassenweesjes moet zijn. Dan schakelt hij Das&Boom in, die terstond een gewiekst dassenvanger stuurt. Samen zijn ze dagen in de weer om de baby-dasjes in de val te lokken. Doodsbang zijn die, maar zo hongerig dat ze hun hol verlaten. Vel over been sterken ze eerst aan, waarna ze uitgezet worden in bijvoorbeeld Zuidoost-Friesland.
Waar het nu dus goed gaat met de das. Zegt men. Ik heb nog steeds geen das gezien. Na die hufter met zijn terriërs zijn we blijven zitten tot het donker was. Tegen beter weten in. Geen das vertoont zich als er hufters met terriërs in de buurt zijn.

Koos Dijksterhuis
In It Fryske Gea, oktober 1999

1 thought on “Een goedmoedige schommel

Reacties zijn gesloten.