Gier in het vizier

Zondag de monniksgier gezien. Met vrouw en dochtertje begaf ik mij naar het buitendijkse Fryske Gea waar de gier zich al twee weken bevond. In de kilometersbrede kwelders en zomerpolders die zich uitstrekken tussen Zwarte Haan en Holwerd kan zelfs een 2,80 meter spannende roofpiet onzichtbaar blijven, te meer daar het gebied doorsneden wordt door zomerdijken die het zicht op zittend gevogelte ontnemen. Gier?ontdekker en boswachter Albert Ferwerda uit Ferwerd had me verteld dat hij hem vrijdagmiddag nog gezien had bij Blija. Vrijdagavond nam ik er vast een kijkje zonder de gier te ontdekken. Sinds 1900 is één keer een monniksgier in Nederland gezien. Die is meteen doodgeschoten en staat nu opgezet in museum Naturalis te Leiden. De dichtstbijzijnde monniksgieren wonen in Spanje, op enkele uitgezette vogels na in de Franse Cevennen. Daar zal deze gier wellicht vandaan komen. Het is een wilde, want Ferwerda had gezien dat hij geen ring droeg.
We gingen picknicken op de dijk bij Marrum; het kille, grauwe weer ten spijt. Nergens is Nederland zo leeg en weids als in buitendijks Friesland en Groningen. Er waren geen andere vogelaars te bekennen. Terwijl we ons voorbereidden op het middagmaal en onze dochter begon te kleien met schapenpoep, richtte ik de telescoop op 12 uur, stelde scherp en zag midden in het beeld de onmiskenbare gier: zware, zwarte vleugels, kale kop. Hij zat heel ver weg, anderhalve kilometer schat ik, te ver haast voor een gewone kijker. Binnen de kortste keren dromden tientallen lieden uit de omgeving om mijn telescoop heen. Ik had binnen kunnen zijn indien ik tijdig een gleuf had aangebracht waarin precies een gulden paste. Hoe konden die mensen weten dat ik de gier in het vizier had? Het waren geen Dutch Birders die achter zeldzame vogels aan reizen, die zijn waarschijnlijk allemaal al eerder geweest, maar zondagsmensen die op de gevederde bezienswaardigheid in hun achterland afkwamen. Terwijl men zich beurtelings vergewiste van de aanwezigheid der gier, trachtte ik de omstanders te wijzen op een vlakbij passerende, door een visdief bestookte boomvalk, maar daarvoor had helemaal niemand oog. Ook de bruine kiekendieven en buizerds vergaarden niet meer belangstelling dan de herhaalde, met Fries accent gestelde vraag: ‘is dat hem daar?’ Na een half uur languit in het gras liggen en poetsen (een monniksgier lijkt verrassend sterk op een zeehond) stond het gevaarte ineens op, massief als een bouwkeet, en wiekte naar een dijkje waar hij bovenop plaatsnam. De mantelmeeuw ernaast leek te verschrompelen tot een graspieper. Drie gelegenheidsveldornithologen in reflecterend joggingpak wandelden erheen en verjoegen hem. De gier verdween achter de dijk en slechts de paniekerige wolk kokmeeuwen en scholeksters verried waar hij geland moest zijn.

Koos Dijksterhuis

In: Waddenbulletin, april 2000 & Friesland Post, sep 2000.