Herfst aan de Costa del Sol

Graadje of 25 is het. In de zon is het alleen uit te houden dankzij het briesje dat soms de windstilte weg aait. Zandkorrels kriebelen langs mijn rug. De Costa del Sol is het noordelijkste badstrand van Nederland, op Schiermonnikoog. De zee deint niet heftiger dan een zwembad na sluitingstijd. Het water sist tegen mijn gestoofde huid. Ik tuur over het strand. Geen mens te zien. September, de schoolvakantie is ten einde. Achter me klinkt gekras. Ik draai me om en zie een grote stern zijn vleugels inklappen om als een bliksem het water in te slaan. Hij duikt een visje op: zandspiering zo te zien. (Zo te zien? Zou ik een zandspiering op afstand herkennen? Toegegeven: ik gok dat het een zandspiering is.) Vliegt dan stug door, gevolgd door een soortgenoot. Ze vliegen in hun eentje, op tientallen, soms honderden meters van elkaar. Maar ze blijven komen, krassen en zandspiering duiken. Een eindeloze reeks grote sterns stroomt van rechts naar links, van oost naar west, van de Duitse, Deense en Baltische broedkolonies naar de Atlantische kust van Afrika. Daar overwinteren ze, van Marokko tot Zuid?Afrika.
Dat bewijst dat de zomer echt voorbij is, ondanks het stralende weer. Drieteenstrandlopers dribbelen driftig langs de waterlijn, strandvlooien oppikkend. Met de lage zon achter me kan ik ze tot twee meter afstand besluipen. Ze hebben hun zomerveren al verloren en zijn klaar voor de winter: een grauwe uitloper van hun grijsbruine rug veegt over de sneeuwwitte hals. Soms passeert een linie eidereenden. Zwart?witte woerden of bruine vrouwtjes vliegen in een kaarsrechte lijn laag over het water. De herfsttrek is in volle gang.
Daar nadert een valk over zee. Hij strijkt neer op het strand. Geen puf meer om een fatsoenlijke paal te zoeken? Dan moet die valk wel doodmoe zijn. Zeker net gearriveerd uit Noorwegen, duizend kilometer over zee. Hij laat me vlakbij komen, pas op zes meter draait ie zijn kopje waakzaam om. Hij draagt een zwart pelgrimskapje met twee oorkleppen. Daaraan is de slechtvalk te herkennen, die langs onze kust overwintert.
Ook in de duinen slaat de herfst toe. Mei? en duindoorns zijn zwaar van rode en oranje bessen. Spreeuwen vreten zich er dronken aan. Duinrozen pronken met rozenbottels. De appels van de verwilderde appelbomen zijn rijp. Het blad van de berken vergeelt. Die berken zorgen voor knusse hoekjes met intieme doorkijkjes. Toch mis ik het weidse, open duinlandschap van weleer. Heel Schier lijkt te veranderen in een bos. Dat komt misschien door verdroging. De zeven boerderijen, de 900 eilanders en de duizenden toeristen lessen hun dorst met duinwater. Bomen kunnen met hun lange wortels bij dieper duinwater dan menig duinbloempje en zijn dus beter bestand tegen droogte. Met hun lange wortels versnellen de bomen de verdroging. Dat gaat ten koste van bijzondere bloemen als orchideeën en parnassia. Toch zijn er nog een paar plekken op Schier waar parnassia hele valleien in bloei zet. En de tere, witte bloempjes worden vaak vergezeld door moeraswespenorchideeën. Die zijn al uitgebloeid. Hun witte bloesem is nu bruin karton. De zomer is echt voorbij.
Bordeaux?rode vlekken geven de duinen hier een herfstig tintje. Het blijkt zowaar de kleur van ronde zonnendauw. Het plantje dat vliegjes verteert in zijn kleverige blad. Nooit eerder op Schier gevonden en nu: dekens van zonnendauw tussen parnassia en knopbies, duinplanten die van kalkhoudend duinwater houden. Zonnendauw houdt meer van zure regen. Is dit een teken van de verzuring van Schier? Ik denk dat dat wel meevalt. Zolang de duinvalleien ‘s winters blank staan, zal de parnassia er niet minder om bloeien. Zonnendauw bedekt alleen de kale plekken duinzand. Daarin vindt geen plant iets te eten, maar doordat zonnendauw zijn voedsel uit vliegjes haalt, heeft het verder haast niks nodig. Alleen een zurig buitje op zijn tijd.
Rond de Westerplas geuren de duinen naar het watermunt dat nu bloeit met lila bloemen. Dikke dauwbramen kruipen iets hoger over de duinhellingen. Daar dragen tientallen parasolzwammen hun enorme hoed op een hoge steel. Ze schijnen erg lekker te zijn maar ik laat ze staan. Anders zou ik ze mee moeten nemen het eiland over en dan zouden ze maar bederven in de warmte. Ik wil naar de Oosterkwelder, waar een paar honderd lepelaars en enkele zilverreigers hebben gebroed. Het is bijna vloed en dan komen alle wadvogels op de kwelderrand op eb wachten. Het ziet er zwart van de wulpen, ros van de grutto’s, wit van de ruiters en plevieren. In de verte gaat een zwerm van honderdduizenden steltlopers en meeuwen de lucht in. Vervolgens wordt de strakblauwe hemel iets dichterbij door vogelwolken verduisterd. Wie verstoort de rust zo meedogenloos? Ik ontdek de dader: een stipje scheert over de grond, schiet als een vuurpijl omhoog, zwenkt, stort weer naar beneden, zigzagt en zaait ongelooflijke paniek. Het stipje werkt de hele kust af en jaagt alles de lucht in. Door de kijker herken ik de snelste aller vogels: de slechtvalk, inmiddels weer helemaal uitgerust.

Koos Dijksterhuis
In Nieuwsblad van het Noorden, 28-9-1999