Een luisterrijke nacht in het moeras

‘s Nachts is het stil in de Alde Feanen. Tot de kikkers kwaken. Ganzen gakken, een koekoek roept, aalscholvers piepen, de rietzanger zingt. Maar de waterrallen zwijgen. Een nacht varen, lopen en luisteren in het moeras.

Het gepruttel van de buitenboordmotor is het enige geluid als we tegen middernacht uit Earnewâld de Alde Feanen in tuffen. De afgemeerde motorjachten steken wit af tegen de zwarte oever met hier en daar een donker zomerhuis tussen de contouren van bomen en struikgewas. Waarom zijn die jachten toch altijd wit? Aan dek van zo’n gevaarte licht een sigaret op. We zwaaien alle drie, hoewel het onwaarschijnlijk is dat de nachtelijke roker ons kan onderscheiden. We leggen aan bij een paal en zetten de motor af. Waterrallen willen we horen. Waterrallen, de schuwe neven van waterhoen en meerkoet, sluipen op hun grote poten door het nachtelijke riet en laten zich zelden zien. Vaker laten ze zich horen; luidruchtig gillend, knorrend en kreunend. Maar nu houden ze zich koest. Lees “Een luisterrijke nacht in het moeras” verder

Alleen in het veen

Tussen de pollen zitten kale stukken modder. Die moet ik zien te vermijden. Anders bestaat de kans dat ik met ongepaste snelheid in verticale richting naar beneden verdwijn.

‘Houdt dat veen me wel?’ vraag ik als toezichthouder Van der Meulen me op een zompig eiland in de Alde Feanen achterlaat. ‘Waarschijnlijk wel’, is zijn geruststellende antwoord. ‘Als je maar niet die broekbossen in gaat.’ Ik zet vijf stappen en de bodem veert als een trampoline mee. Doodeng. Trilveen heet dit verschijnsel; een verwortelde laag die op het drabbige moeraswater drijft. ‘Hoe dik is die laag?’ Van der Meulen trekt een vragend gezicht. ‘Halve meter?’ Lees “Alleen in het veen” verder

Nieuwjaar

Ik stap de permafrost van Noordoost-Friesland in. Het is min twaalf. Ik was de enige passagier. De eerste waarschijnlijk, in het nieuwe jaar. De buurtbus ronkt weg door de toendra, naar Paesens en Moddergat aan de Noordpool. Het zou acht kilometer lopen zijn naar de boerderij van tante IJf en oom Menk, iets minder nog, want ik kan afsnijden dankzij de dichtgevroren sloten. Maar schaatsen gaat sneller en is leuker. Schaatsen op de Dijkstervaart is een oude wens van me. Oom Menk zei altijd dat hij niet wist of het kanaal naar mij was vernoemd of ik naar het kanaal. Ik logeerde zelden ‘s winters bij hen. Ik stap over het prikkeldraad, het besneeuwde weiland in. Ergens die kant op stroomt de Dijkstervaart. Op onbekend ijs moet je niet schaatsen, zeggen ze, zeker niet ain je eentje. Met die wind kan het ijs verraderlijk zijn en onder de sneeuw zie je de zwakke plekken niet. Lees “Nieuwjaar” verder