Tempeleiland

Op Sri Lanka ploeter ik op een gehuurd barrel over een zandweg het woud in. Het stof kleeft aan mijn verhitte lijf. De weg loopt dood aan de oever van een stil, donker bosmeer. Het ruikt er warm, vochtig, grondig, als de tropenkas van Artis. Half op de wal rust een bejaarde roeiboot, met twee roeispanen. Geen mens te zien. Een ijsvogel landt op de rand van de roeiboot. Hij vliegt op en hangt fladderend boven het water. Hij duikt, mist en hangt weer te bidden. Ik zet mijn fiets tegen een stam, schuif de boot te water, neem erin plaats, peddel de plas op. Wat de overkant leek, is een eiland. Ik roei eromheen en zie versleten muren door de bomen schemeren. Een oranje gedaante verschijnt op een in het water gezakte stronk. Hij glimlacht. Ik stap uit en de monnik kijkt me aan door vuistdikke brillenglazen. Hij vouwt zijn gelooide handen. Als wijsheid met de jaren komt, dan heeft deze man haar in pacht.
Graag zou ik mijn malende hersenen eens stilzetten. Als ik hier een paar dagen tot mezelf kon komen? Het paradijs bestaat niet, maar dit komt in de buurt. Geen elektriciteit, geen heisa.
De tempel is overgroeid met enorme planten, die in bescheidener omvang in Nederlandse huiskamers te vinden zijn. De monnik wijst op een stenen terras. Hij zijgt neer in lotushouding, ik in kleermakerszit. Het is tien uur. Ik geneer me een beetje voor mijn horloge.
‘Bent u getrouwd?’ vraagt hij in het Engels. Ik schud mijn hoofd. ‘Gaat u met vrouwen om?’ Voor ik kan antwoorden waarschuwt hij met stemverheffing dat seks de strevende mens afleidt, evenals materieel bezit, drank, drugs en gelanterfant.

De oude orakelt maar door. Mijn aandacht verslapt, mijn rug ook. Ik probeer rechtop te blijven zitten. Een scherpe pijn schiet door mijn knie. Ik verschuif. De zon klimt boven de woudreuzen uit, brandt op mijn voorhoofd. Zweet biggelt mijn oog in. Een druppel kriebelt langs mijn neus. Grimassend tracht ik de jeuk te bestrijden. Droge keel, dorst. Een doordringend gezoem zwelt aan en een oranje wesp zo groot als mijn pink hangt snorrend in de lucht voor mijn gezicht. Vliegend op de plaats rust. Biddend. De lange voorpoten van de wesp bungelen, een angstaanjagende angel buigt onderlangs naar voren. Ik deins terug en sta op. Ik hink met een slapend been. De monnik komt ook overeind.
‘U kunt hier logeren’, zegt hij. ‘Dan krijgt u elke ochtend les. ‘s Middags helpt u met klusjes. Honderd dollar per dag. U kunt met een creditcard betalen.’ Ik zeg dat ik erover zal nadenken, bedank hem en haast me naar de roeiboot. Het is twaalf uur.
Ik zwaai nog. De monnik ziet het niet. Hij is afgeleid door ‘Raindrops keep falling on my head’, dat uit zijn pij klinkt. Hij diept een mobiele telefoon op en vangt een gesprek aan.

In Onze Wereld, juli 2004