Radiocolumn Zomers gekoer

Vara Vroege Vogels 12 juli 2015

De lente mag dan overgeslagen zijn, de zomer gooide er weldra een hittegolf tegenaan. Het is verrassend hoe snel de natuur er dan op z’n zomerst bijloopt, -staat, -ligt. Groene boomkruinen wiegen, zwaluwen gieren in een knalblauwe lucht. Tussen de bosjes gonst en dwarrelt het meteen van de insecten. Zo ook in mijn tuin: zweefvliegen, bijen, sluipwespen, waterjuffers, vlinders…

Libellen en meeuwen verdringen zich in de lucht om uitzwermende mierenmannen.
En altijd is er de duif. Lees “Radiocolumn Zomers gekoer” verder

Radiocolumn Sprookjesvogels

Vara Vroege Vogels 18 jan. 2015

Zwanen, minstens drie sprookjes schreef Hans Christian Andersen over zwanen. Het lelijke jonge eendje is zijn bekendste. De schrijver begon zelf als lelijk jong eendje. Op de armenschool werd hij gepest, maar 139 na zijn dood is hij nog altijd de wereldberoemdste Deen. Zijn graf ligt tussen bekorstmoste zerken op Assistens. Die statige begraafplaats is een rustplek, ook voor de levenden die Kopenhagen even willen ontvluchten.

Het vriest. Bonte kraaien wroeten in de sneeuw, houtduiven zoeken een slaapplaats bovenin een kale esdoorn. Op een smal graf staat een hoofd van sneeuw. Met een wortel trekt de sneeuwkop een lange neus.

Achter een forse hulstboom met knalgele bessen ligt Andersen. Als kind was ik niet bijster gesteld op zijn sprookjes. Het meisje met de zwavelstokjes was me te zielig, de prinses op de erwt te aanstellerig. Dat de Chinese nachtegaal gekooid werd, vond ik gemeen. Maar je hoorde er niemand over. De kleren van de keizer vond ik we aardig en vooral het lelijke jonge eendje sprak me aan. Want wie denkt niet dat ie een lelijk eendje is en wie hoopt niet op die zwaan?

Mijn aandacht wordt getrokken door het zachte, vlugge rinkelen van een sleutelbos, hoog boven me, hoog boven Andersens graf. Zes spreeuwachtige silhouetten zitten in een boom. Ze hebben kuifjes, zalmroze lijven, zwarte maskers, zwarte slabben en kanariegele staartpunten. Andersen gaf vaak een vogel de hoofdrol, maar nooit viel een pestvogel in de prijzen. Toch zijn weinig vogels zo sprookjesachtig als pestvogels. ‘s Winters zijn ze bij vlagen ook in Nederland te zien, vooral in het noorden van het land. Let dus goed op rinkelende sleutelbosjes in de bomen.

Optreden filmfestival 2013 in Groningen

Tijdens de avond over porno en preutsheid, 7 februari in Images Groningen, las Koos een verhaal voor en enkele vrolijke verzen, zoals:

Natte droom

Je was vannacht als in mijn natste dromen
Je greep me beet en kreunde in je slaap
O ja, ja Jaap, o ja, o Jaap, o Jaap
Nooit heb ik je zo heftig horen komen

Het was fantastisch, maar nu ben ik boos
Want jij weet best: ik heet geen Jaap maar Koos

 

(voor de column van 2 feb. volgt u deze link )

Column De Drieteenstrandloper

In november is het strand leeg. Of nou ja, bijna leeg. in de verte loopt een wandelaar. Hij gooit iets weg,wat door een hond geapporteerd wordt. En er zijn vogels. Vijftien, twintig drieteenstrandlopers staan op een kluit. Het is vloed, de vogels wachten tot de zee zich terugtrekt en ze op het vochtige, droogvallende zand wormen kunnen vangen. Het waait straf en kil uit het oosten. Ze kleumen achter een hoopje zeewier. Elk op één poot, op drie tenen dus. Met hun kop in de veren zijn ze net iets hoger dan hun plantaardige windscherm. Ik begluur ze van veilige afstand door de telescoop. Twee drietenen dreigen buiten de boot te vallen. Ze staan naast de rest en vangen de wind. Dat wil zeggen: één van beide vangt de wind. Die hipt op één poot opzij, de luwte in, waarbij hij zijn kop niet uit de veren haalt. Van zijn sprongetje schrikt de ander, die iets naar buiten hipt en nu in de wind staat. Die hipt vervolgens terug, waarvan de ander schrikt. Zo lossen ze elkaar een tijdje af. Tot één zich erbij neerlegt, al blijft hij staan. Hij draait een kwart slag, waardoor hij zijwind vangt. Mij lijkt dat onvoordelig, maar ik weet niet wat er in het drieteenkoppie omgaat. De wind waait zijn veertjes uit model, ze staan als een punkkapsel overeind. Hij leunt zijwaarts tegen de wind, zijn ene pootje staat bijna diagonaal, zo scheef. Zijn andere pootje houdt hij zo hoog opgetrokken, dat er niets van te zien is. Plotseling schiet hij langs de groep naar voren. Naast het zeewier heeft hij iets ontdekt. Hij trekt, hij sjort, er komt een worm tevoorschijn. Het is een lange, dunne worm. De drieteen houdt hem strak gespannen, maar trekt niet zo hard dat de worm breekt. Hij heft zijn kop steeds hoger, tot hij niet meer verder kan. Met geheven hoofd maakt hij een achterwaarts sprongetje, waarbij de worm los schiet. Plotseling vliegt de rest van de groep er in één beweging vandoor. De wormenvanger volgt. Een driehoekje zand naast het zeewier blijft achter, vol pootafdrukjes. Pootafdrukjes van drie tenen. De worm kronkelt lang en dun. Waarom zouden ze nou zijn weggevlogen? Een slechtvalk? Net als ik omhoog wil turen, hoor ik gehijg naderen. Ik kijk om. Er komt een hond aanrennen. Hij legt een tennisbal voor me neer, kijkt me hoopvol aan en blaft.

Koos Dijksterhuis, Gesproken column op Vara’s Vroege Vogels radio 1