Call of the Wild

Wolf. Foto Leo Linnartz

Van een vriend kreeg ik voor mijn verjaardag een toegangsbewijs voor de zomerjazzfietstoer door het Reitdiepdal ten Noordwesten van de stad Groningen. In oeroude kerkjes, kloosters, boerderijen, in buurtschappen, op terpen en zelfs in het hypermoderne Sciencepark van Paddepoel traden solo’s, duo’s, trio’s en andere combo’s op. Je komt nog eens ergens en je hoort nog eens wat.

De optredens varieerden van ontspannen klanken om bij weg te dromen tot zenuwengepiel waar geen melodie in te ontdekken viel. Het optreden in de kloosterkerk van Aduard vond ik het mooist.

Een cellist en twee saxofonisten, van wie één zijn instrument soms ruilde voor een klarinet, maakten melodieuze en meeslepende muziek, geïnspireerd door de romans van Jack London. Naar aanleiding van zijn als tv-serie verfilmde Sea-Wolf las ik Jack London voor mijn lijst – hij was één van de auteurs die mij bewezen dat literatuur niet alleen verplichte schoolkost, maar ook leuk was. Zijn boeken spraken mijn naar avontuur en natuur verlangende puberbrein zeer aan.

Ik spitste dus mijn oren en glimlachte over de als een sissende stoomtrein klinkende geluiden die uit een sax geperst werden. In The Sea-Wolf reizen vriendelijke outlaws illegaal mee met goederentreinen en liften ze zo Amerika door. Deze zwervers werden hobo’s genoemd, en daarom had de ene saxofonist beter af en toe een hobo kunnen bespelen dan een klarinet, maar vermoedelijk hanteren jazz-muzikanten andere maatstaven voor hun instrumentkeuze.

In Jack Londons Call of the Wild speelt een wolf de hoofdrol. London zelf woonde een tijdje in Alaska en schreef veel over de niet zo lieflijke natuur. Ik herinner me een verhaal over een pelsjager die door de sneeuw strompelt en een paar seconden de tijd heeft om een vuur aan te steken, genoeg voor één lucifer. Slaagt hij niet, dan bevriezen eerst zijn vingers en bevriest hij vervolgens helemaal.

(Natuurdagboek Trouw maandag 3 september ’18)