De kunstjes van de akkerdistel

Distelgalboorvlieg. Foto Jeanette Essink

In de herfst bloeien planten minder (uitbundig) dan in de zomer, maar vele soorten laten nog steeds bloemen zien: behalve evergreens als madeliefjes zijn onder meer dovenetels, boterbloemen, leeuwentanden, havikskruiden en akkerdistels te bewonderen. De laatste staan berucht als akkeronkruid en worden met vergif bestreden. De intensieve bemesting van de velden doet akkerdistels juist goed. Op perceelranden, op slootoevers en in bermen die aan maaimachines ontsnappen kunnen akkerdistels welig tieren. En dan blijken ze prachtige lila bloemen te dragen, waar hommels gek op zijn.

In de herfst laten akkerdistels bovendien andere kunstjes zien. Zo trekken ze als loofbomen hun bladgroen terug en krijgen hun stekelige bladeren witte punten. Als de lage zon daar van achteren doorheen schijnt lijken de groene planten wel in een zilveren bloei te staan.

Nu zijn ook distelgallen te vinden. De meeste distels ontsnappen aan die gezwellen, maar een enkeling is de sjaak. Akkerdistels zijn zo talrijk, dat wie ze tijdens een wandeling door ruig terrein allemaal een blik gunt, grote kans heeft zo’n gal te vinden.

In de stengel heeft de distel dan een verdikking van enkele centimeters. De bult kan zo groot worden als een pompelmoes. Zo’n geïnfecteerde distel doet denken aan een python die een prooi heeft ingeslikt: lang en dun met één verdikking.

Distelgallen zijn een reactie van de distel op de legboor van de distelgalboorvlieg. Dat vliegje is klein, maar o zo fijn! Gitzwarte banden slingeren over zijn vleugels. Hij of liever zij, want het is natuurlijk het vrouwtje dat eitjes legt, zal nu wel dood zijn. Haar eitjes komen uit in de gal, waar de larfjes zich rond vreten aan het distelgroen. Na de winter verpoppen ze en vliegen ze uit. Ze verlaten de dan hard en zwart geworden gal waarschijnlijk via het tunneltje dat is gevormd rond het legboorgaatje van de moedervlieg.

(Natuurdagboek Trouw maandag 1 okt. 18)