De lepelaars komen

Lepelaar. Foto Koos Dijkserhuis

Op Schiermonnikoog zijn de eerste lepelaars gearriveerd. Met vrienden fietste ik over het eiland. Vrijdag telden we in de Westerplas acht lepelaars, zaterdag elf. Of die drie zaterdagmorgen uit het zonnige zuiden aankwamen, of vrijdag even een blokje om waren, weet ik niet. Zondagmiddag zagen we er twee boven de Waddenzee in zuidoostelijke richting vliegen – steeds verder van de Westerplas, wat het blokje om een aannemelijk scenario maakt. Misschien inspecteerden ze de slenken in het wad of de kwelder op visjes of ander lekkers. Lepelaars lepelen stekelbaarsjes uit het water, en eten ook graag jonge platvisjes. Die zijn er niet zoveel meer in de Waddenzee, maar als tweede keus eten lepelaars garnalen. Die zijn er genoeg.

De lepelaars zijn waarschijnlijk in West-Afrika geweest. De Banc d’Arguin, een Waddenzee aan de kust van Mauretanié, is een belangrijke overwinteringsplek voor ze. Ze zijn wellicht met wat stop-overs in bijvoorbeeld Cota Doñana en de Ebrodelta in Spanje, en de Camargue in Frankrijk naar Nederland gevlogen.

In mijn kindertijd waren lepelaars zeldzaam. Ik zag ze uit de trein in het Naardermeer. Daar zijn ze weggejaagd door vossen, maar dankzij de vosvrije Waddeneilanden zijn er nu wel vijftien keer zoveel lepelaars als vijftig jaar geleden. Ze blijven mooi, hoe vaak je ze ook ziet. Laat ik voor mezelf schrijven: hoe vaak ík ze ook zie. Met hun kuif en hun witte veren zijn ze minstens zo mooi als zwanen en zilverreigers. Van die laatste zijn ze door hun houding en vooral hun merkwaardige snavel gemakkelijk te onderscheiden. Vliegend houden ze hun hals gestrekt, zoals een ooievaar, en steekt hun snavel nog eens een eind naar voren. Reigers trekken tijdens de vlucht hun hals in tot een S.

Op Schier broeden ze aan de Westerplas maar vooral in de Oosterkwelder, bij de meeuwen. Die beschermen hen tegen katten. Er zijn dan wel geen vossen, maar katten des te meer.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 27 februari 2019)