De vink slaat zijn slag

Vink. Foto Koos Dijksterhuis

Zelfs in een dagelijkse natuurrubriek is de lente niet bij te benen. Doorgaans merk ik dat eind maart, nu een maand eerder. Het gras begint te groeien, de klimopbessen zijn rijp, de gaaien nestelen, de veldkers bloeit, de leeuweriken zingen en de vinken slaan.

Ik heb in mijn Groningse tuin nog nooit zo vroeg een vink horen slaan. Mannetjesvinken zingen niet welluidend, maar wel luid een lied als een omgekeerde toonladder, van hoog naar laag, waar ze eindigen met een zwieper die weer omhooggaat. Die zwieper heet de vinkenslag.

Ik krijg soms foto’s van lezers met de vraag wat voor exotische schoonheid ze in hun tuin zagen, en dan staat er een vink op. Vinken zijn prachtig, met hun oranje onder- en zwart-wit-grijze bovenkant. Zoals wij ons bijna niet kunnen voorstellen dat Nederland mooi is (“het lijkt hier wel Frankrijk!”), kunnen we ook bijna niet geloven dat in Nederland kleurrijke vogels voorkomen, en dan nog wel zo’n huis-, tuin- en keukenvink!

Groenlingen zijn vinkachtigen. Groter dan vinken, maar eveneens kleurrijk: groen met gele vleugelranden. Door een vogelziekte (het geel) zijn ze gedecimeerd. Vijf jaar geleden had ik het hele jaar meerdere groenlingen in de tuin, maar de laatste drie jaar ontbraken ze. Hoe blij was ik dat ik weer een groenling hoorde! Al is zijn geknars nauwelijks een lied te noemen.

Putters zijn misschien wel de kleurigste vinken, met hun gele vleugelstrepen en rode snoeten. Hoewel kneuen er met hun rode borsten ook wat van kunnen. En goudvinken natuurlijk! Putters heb ik regelmatig in mijn tuin, goudvinken heel soms en kneuen nooit. Maar de groenling en de vink hebben de lente in hun koppies en dat werkt aanstekelijk! Fluitend rommel ik in de tuin.

Begin maart slaat de lente plotseling om in herfst: regen en wind. Vink en groenling zwijgen. Maar wie scharrelt daar door de tuin? Een keep! Een kleurrijke, maar winterse vink, uit Zweden.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 6 maart ’19)