De vroegste vogel

Merel. Foto Koos Dijksterhuis

Merel. Foto Koos Dijksterhuis

Om vier uur ’s morgens word ik wakker. Ik lig in bed te luisteren naar de regen op het dak. Ondanks dat vredige geluid dommel ik niet weer in. Na een uur begint de eerste vogel te zingen. Het is niet eens een roodborstje, meestal de vroegste van het stel. Of de laatste, het is maar hoe je het bekijkt, pardon beluistert. Roodborstjes zingen soms ook midden in de nacht. Nachtegalen doen dat ook, maar nachtegalen zijn er nu nog niet, en hoor ik trouwens nooit door mijn slaapkamerraam.

De eerste die een lied aanheft is een merel. Een fijn geluid is het, niet iets wat me uit de slaap zou houden. Het duurt nog twee uur voor de zon opkomt. Al is ‘zonsopkomst’ een groot woord voor de schemer die later tussen de regenwolken doorsijpelt.

Waarom zou die merel zo hondsvroeg gaan zingen? The early bird catches the worm, maar hij is te vroeg voor wormen. Met zijn activiteiten verbrandt hij zijn reserves, terwijl hij nog geen voedsel kan zoeken. Waarom slaapt ie niet nog even uit? Terwijl ik me dat afvraag, besef ik dat die merel zich dat evenzeer van mij zou kunnen afvragen. Hij heeft tenminste nog wat te doen.

Het voordeel van vroeg opstaan is dat de merel het rijk alleen heeft. In die regen zwijgen zelfs de zilvermeeuwen, en ondanks de regen kunnen alle andere merels horen dat hij er is, en dat ze niet moeten denken dat zij straks in zijn tuin wormen mogen zoeken.

Er zit ook een risico aan dat eenzame, nachtelijke gezang. Er zal maar een uil langskomen. In de stad leven ransuilen en bosuilen en die zijn ’s nachts op jacht. Als geruisloze schimmen slaan ze toe. Ze zijn vooral gericht op muizen, maar versmaden een vogel beslist niet – verandering van spijs doet eten.

Tegen de tijd dat het licht wordt, dommel ik in. Van de merel hoor ik de verdere dag niets meer.

(Natuurdagboek Trouw vrijdag 23 maart ’18)

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *