Gevlochten fuikhorens

Fuikhorens. Foto Koos Dijksterhuis

Fuikhorens. Foto Koos Dijksterhuis

De fuikhorens rukken op. Dertig jaar geleden leefden fuikhorens niet noordelijker dan Zeeland, nu vind ik een handvol verse huisjes op het strand van IJmuiden. Tegenwoordig vind ik zelfs op Schiermonnikoog wel eens een vers exemplaar.

Misschien leven fuikhorens wel aan de voet van de pieren die bij IJmuiden aan weerszijden van het Noordzeekanaal tweeënhalve kilometer in zee steken. De beton- en basaltblokken van die dijken worden door schelpdieren algauw aangezien voor rotsen. Fuikhorens kunnen in en op zandige zeebodem leven, tot op zo’n vijftig meter diepte. Maar ze hebben een grote voorkeur voor modderige bodem tussen rotsen. Daar kunnen ze zich makkelijker ingraven. Onder het zand zijn ze onzichtbaar voor hun vijanden: zeesterren. Ze steken alleen hun siphon, hun levensbuis, uit de bodem en ruiken tot op tientallen meters of er een dood of stervend dier ligt. Dan woelen ze zich tevoorschijn, schuiven ze erheen en doen ze zich tegoed aan het lijk. Fuikhorens zijn aaseters.

Fuikhorens heten voluit gevlochten fuikhorens, omdat ze zowel in de lengte als overdwars geribbeld zijn, wat hun schelp een enigszins gevlochten uiterlijk geeft. Oude exemplaren zijn vaak donkergrijs. Die zijn gekleurd door het ijzer in de bodem waarin ze jaren, misschien wel eeuwen lagen. Verse zijn geelbruin en niet versleten. Wel zijn ze vaak bedekt met zeerasp of begroeid met zeepokken. Zeerasp is een korst van piepkleine, roestbruine poliepjes. Zeepokken zijn kleine kreeftjes in een vulkaantje van kalk. Soms zijn het er zoveel dat ze de hele fuikhoren bedekken. Het exemplaar rechts op de foto is niet meer zichtbaar vanwege alle zeepokken. De linker heeft er minder en de middelste is bedekt met zeerasp.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 28 okt. 2015)