Jonge mezen dood of levend

levend Koolmeesjes in de nestkast. Foto Koos Dijksterhuis

De koolmezen in mijn tuin, die afgelopen weken onafgebroken rupsjes naar hun jongen aanvoerden, hebben geluk gehad. Hoewel ik vorig jaar de eerste buxusvlinder in de buurt zag, hebben maar weinig buurtgenoten buxushaagjes, en spuiten zij geen gif, gif waar niet alleen alle insecten van doodgaan, maar ook de dieren die in de stervende insecten een gemakkelijke prooi zien. Koolmezen bijvoorbeeld.

Op het platteland gaan insectenetende vogels achteruit en ze gaan sneller achteruit waar meer insecticiden in het slootwater zitten. Toch zijn er altijd mensen die de dodelijke effecten ervan ontkennen. Terwijl insectengif juist gemaakt is, om insecten dood te maken? Maar het kán natuurlijk toeval zijn dat dieren doodgaan nadat er vergif wordt gebruikt. Dat kan een onbekende oorzaak hebben die tegelijktijdig plaatsvond.

Laatst stond er in Trouw een stukje over het mogelijke verband tussen vergif tegen buxusmotten en de dood van koolmeeskuikens. Mezen in het bos bleken vijf, mezen in de stad bleken elf pesticiden in hun lijf te hebben. Toch was er meer onderzoek nodig. Er is altijd meer onderzoek nodig. Dan hoef je pas in te grijpen als het broedseizoen voorbij is en de mezen toch al dood zijn.

Mijn schoolmeester, vroeger, had niets met natuurbescherming en was erg voor auto’s en schoorstenen. Hij rookte zelf twee pakjes per dag en had gele vingers. Toch zag hij het gevaar in van DDT, dat later verboden werd omdat het zo giftig was. Meester vertelde over een Amerikaanse boerenzoon die een slok frisdrank dacht te nemen uit de fes waarin vader een restje DDT bewaarde. Hij viel dood neer.

Achteraf denk ik: misschien had zijn dood wel een onbekende oorzaak; het kon best toeval zijn. Tenslotte is DDT lag niet zo giftig als de vergiften die we nu gebruiken.

De meesjes in mijn nestkast zijn springlevend en popelen om uit te vliegen. De buurtkatten loeren likkebaardend naar boven.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 22 mei ’19)