Meikevers in het buitenland

Meikever. Foto Koos Dijksterhuis

Meikever. Foto Koos Dijksterhuis

Het is mei, en mei is de maand van de meikevers. Ik herinner me dat ik als kind tegen mijn vader zei dat ik nog nooit een meikever had gezien. Dat vond hij bespottelijk; in de lente wemelde het van de meikevers, zei hij. Hij nam me mee om meikevers te zien. Het lukte niet. Sindsdien heb ik soms een meikever in Nederland gezien, maar zo algemeen als in mijn vaders jeugd zullen ze niet gauw meer worden. Maar in het buitenland zijn ze algemener, en iedere lente sturen Trouwlezers me wel enkele foto’s, met de vraag welke buitenissige reuzenkevers ze tijdens de meivakantie hebben gezien.

In het buitenland kom ook ik ze nog tegen. Onlangs in Roemenië zag ik ze in aantallen die mijn vader moet hebben bedoeld. Niet in het moderne, grootschalige landbouwlandschap van het laagland, maar in de heuvels met bloemrijke graslandjes waar bemesting beperkt blijft tot drollen van scharrelende koeien of een kudde schapen. ’s Morgens waren ze bij zonsopkomst plotseling present, hoog in de lucht als helikopters zoemend rond de kruinen van loofbomen. Ze lebberen het sap uit jonge, beschadigde blaadjes. De boomkruinen zijn ontmoetingsplekken. Met hun waaiertjes als geurantennes sporen de mannetjes vrouwtjes op. Ze paren, waarbij het vrouwtje een mannetje aan zijn vastgeklemde geslachtsorgaan meesleept.

In de middag zag ik die vrouwtjes massaal naar de grond komen, waar ze zich verrassend snel in de grasmat wisten in te graven. Ze leggen eitjes op een paar centimeter diepte. De larven, engerlingen genoemd, eten gras- en plantenwortels. Als ze zich twee jaar ondergronds hebben volgegeten, verpoppen ze zich tot meikever. Zo’n rijpe engerling kan vier, vijf centimeter lang worden en is gebroken wit met een zwarte kont, waarin zich de uitwerpselen hebben opgehoopt. Een engerling kan niet poepen, meikeverlarven zijn de vleesgeworden constipatie.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 24 mei ’18)