Rosse grutto’s en andere wereldreizigers

Rosse grutto’s op de toendra Foto van Jan van de Kam uit Reisvogels

Rosse grutto’s op de toendra Foto van Jan van de Kam uit Reisvogels

Rosse grutto’s, die broeden in Alaska, reizen elfduizend kilometer naar hun winterverblijf op Nieuw-Zeeland. Ze overbruggen die afstand in één ruk. Ze vliegen ruim twee keer zo ver als biologen voor mogelijk hielden. Dat lukt doordat ze handig gebruik maken van rugwinden. Ze zoeken vliegroutes en –hoogten waar de gewenste wind waait. Voor de reis slaan ze precies genoeg vet op. Hun vliegspieren groeien, maag en darmen krimpen.

Onze weidegrutto’s houden er hun eigen record op na. Zij vliegen niet twee keer zo ver, maar twee keer zo hoog als biologen voor mogelijk hielden: op wel vijf kilometer hoogte. Voor de reis verdikt hun bloed, zodat het meer zuurstof uit de ijle lucht bindt.

Deze en nog veel meer verbijsterende eigenschappen van reizende wadvogels lees ik in Reisvogels, het nieuwe fotoboek van Jan van de Kam, met teksten van wadvogelonderzoeker Theunis Piersma (uitgeverij Bornmeer). Van de Kam is nadert de tachtig, maar reist wadvogels nog steeds achterna de wereld over. Hij is wadvogelfotograaf pur sang. Zijn boek is chique ingebonden en vormgegeven door Barbara Jonkers. De foto’s zijn (twee-)paginavullend afgebeeld, niet gehinderd door bijschriften. Die staan apart, in drie bladzijden tekst bij elk van de zeven hoofdstukken. Ik las het boek in een uur uit – een verzameling krenten uit de pap van jarenlang reisvogelonderzoek.

Moeten mensen trainen om spieren te vormen, of in het hooggebergte verblijven om zuurstofrijk bloed te krijgen, bij vogels gaat dat vanzelf. Bestaat het voedselaanbod uit harde schelpdieren? Dan zwellen de maagspieren. Is het tijd voor de reis? Dan krijgt een vogel vleugelspieren als een bodybuilder. Handig, want als een vogel vliegspieren zou moeten trainen, zouden ze pas na de reis het grootst zijn…

(Natuurdagboek Trouw maandag 11 juli 2016)