Stevige schelp met kogelgat

Venusschelp 0460 Foto Koos Dijksterhuis

Venusschelp 0460 Foto Koos Dijksterhuis

Op het Hollandse strand vind ik opvallend veel venusschelpen: stevige schelpjes van zo’n twee centimeter in doorsnee, bruin of blauw, met een asymmetrische top. Het is alsof de schelp één kant opkijkt, boven een ronde buik. Rond de top cirkelen ribbeltjes als hoogtelijnen op een gebergtekaart. Sommige venusschelpen zijn net als het exemplaar op de foto voorzien van een kogelgaatje op kabouterschaal.

Venusschelpen leven onder het zand van de zeebodem, niet al te ver van de kust. Ze filteren voedsel uit zeewater maar kunnen dagenlang zonder. Dankzij hun dikke schelp kunnen ze soms het spijsverteringskanaal van een zeeëend ongedeerd passeren. Dan worden ze in hun geheel ingeslikt en weer uitgepoept, zonder dat de gespierde maagwand van de eend grip op ze krijgt. Ze zullen dat avontuur in de eend wel met hermetisch dichtgehouden schelpen doorstaan.

Hoe dik en stevig en potdicht hun schelpen ook zijn, tepelhoorns hebben daar een list op bedacht. Zij boren een gaatje in de schelp. Tepelhoorns zijn zeeslakken die ongeveer even groot zijn als tuinslakken. Ze hebben een bolrond slakkenhuis en een raspende boortong. Daarmee kunnen de slakken met jobsgeduld urenlang raspen, ondertussen zuur speeksel kwijlend, dat de kalk van het te boren schelpje zacht maakt. Als een tepelhoorn door de schelp van zijn prooi heen is, slobbert hij het weekdier uit zijn schelp. Dat vereist een behoorlijke zuigkracht want het gaatje is nauw en een weekdier is niet stroperig en klampt zich bovendien met spieren vast aan zijn schelp. Het zou kunnen dat de tepelhoorn en passant die sluitspier onklaar boort. Het gaatje zit meestal aan de top van de schelp waar ook de sluitspier zit. Maar waarschijnlijk kiest de slak meestal positie aan de top, omdat hij daar het meeste houvast heeft. Hij trekt de schelp niet open, hij zuigt hem door het gat binnen.

Venusschelpen zijn ook voor mensen eetbaar, in Zuid-Europa zijn ze geliefd. Maar als wij Nederlanders ze al eten, halen we ze uit het buitenland, niet uit onze eigen zeebodem.

(Natuurdagboek Trouw vrijdag 20 april ’18)