Tip: laat pinksterbloemen staan

Oranjetipje op look-zonder-look Foto Koos Dijksterhuis

In mijn Groningse, schaduwrijke tuin komen bloemen relatief laat in bloei. Zo ook de pinksterbloemen en het look-zonder-look. Dat zijn twee van de meest geliefde waardplanten van oranjetipjes en in het kielzog van die bloemen kan ik jaarlijks mijn favoriete vlinders verwelkomen. En of het door de zonnewarmte komt weet ik niet, maar ik zie er meer oranjetipjes dan ooit.

Oranjetipjes zijn kleine witjes waarvan de mannetjes knaloranje delen op hun voorvleugels hebben, alsof ze even in de verf gedipt zijn. De onderzijde van hun vleugels ziet er gemarmerd uit, net als bij de vrouwtjes. Zoals veel vlinders dwarrelen ze uiterst beweeglijk door tuinen en parken, over bospaden en langs bermen. Overal waar pinksterbloemen, look-zonder-loken, judaspenningen of bosveldkersen staan, zouden ze kunnen opduiken. Ze nemen ook wel op andere bloemen plaats voor een likje nectar, maar eitjes zetten ze alleen af op de kruisbloemigen van hun voorkeur.

Mijn buurman die zijn gras altijd zo kort hield dat je een loep nodig had om de sprietjes te zien, laat het nu verrassend lang worden. “Ik vind die pinksterbloemen zo mooi”, zei hij over de heg, “en ik zag er een prachtig vlindertje bij, wit met oranje.” Kijk, daar word ik nou blij van. Die pinksterbloemen zijn uit mijn tuin overgewaaid. Ik denk alleen niet dat de buurman zo oranjegezind is, dat hij de pinksterbloemen laat staan als ze uitgebloeid zijn en dat is jammer, want oranjetiprupsen hebben tijd nodig om minstens een hele plant te eten, teneinde zich op te vetten voor een winter als pop. Met één rups per plant zijn er heel wat pinksterbloemen en look-zonder-loken nodig voor een heel vlindergezin.

Enfin, hopelijk zetten ze bij mij genoeg eitjes af – ik laat de planten nog maanden staan om de rupsen de tijd te geven naar de bosjes langs mijn tuin te kruipen, waar ze zullen overwinteren. De bosjes die mijn tuin in schaduw hullen.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 2 mei ’19)