Vlinders op de vlinderstruik

Dagpauwoog + distelvlinder. Foto Koos Dijksterhuis

Dagpauwoog + distelvlinder. Foto Koos Dijksterhuis

Ondanks kou en regen hoeft de zon maar even te schijnen, of op de vlinderstruiken leeft het van de vlinders. De witte vlinderstruik doet nog meer zijn naam eer aan dan de paarse. De paarse bloeit lager en compacter, de witte hoger en meer verspreid. De paarse heb ik afgelopen voorjaar gesnoeid, de witte niet…

Het zijn de gewone vlinders die de struiken bezoeken: grote en kleine koolwitjes, een geaderd witje, atalanta’s, dagpauwogen, kleine vossen, distelvlinders en een citroenvlinder. De citroenvlinderman is geel, al kan zijn vrouwtje bijna wit zijn, met een groene onderkant. Citroenvlinders hebben geen zwarte vleugelpunt, zoals de witjes. Die witjes lijken op elkaar: het grote is groter en heeft meer zwart op de vleugelpunten, het kleine heeft bovendien grijze aders aan de onderkant van de achtervleugels. Bij het geaderde witje zien de vleugeladers eruit alsof ze met grijsgroen poeder bestoven zijn.

De kleine vos is oranje met zwarte vlekken langs de voorrand en blauwe sikkeltjes langs de achterrand. De dagpauwoog heeft net zulke gevlekte randen vooraan zijn voorvleugels, maar is een stuk groter en laat op al zijn vier vleugels duidelijk blauwe namaakogen zien. De atalanta is ongeveer even groot, heeft zwarte voorvleugels met witte vlekken en een oranjerode streep, en donkerbruine achtervleugels met een oranje zoom. De distelvlinder is oranje met zwarte vlekken en lijntjes. Zijn voorvleugels zijn grotendeels zwart met witte vlekken, een beetje zoals de atalanta.

Behalve de atalanta zijn alle genoemde vlinders van de tweede generatie: ze zijn eerder dit jaar als ei gelegd, vervolgens uitgekomen en onlangs verpopt. De distelvlinder en atalanta trekken voor de winter naar het zuiden. De andere overwinteren bij ons als vlinder of als pop.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 11 aug. 2016)