Weideroofvogels

Grutto valt kiekendief aan. Foto Koos Dijksterhuis

In Eemland bij Baarn liggen weilanden van Natuurmonumenten, waar het leeft van de weidevogels. Hier krijg je de indruk hoe het vijftig jaar geleden overal zou kunnen zijn geweest. Al zag ik hier ooit kemphanen baltsen, die er nu niet meer zijn, tenzij even uitrustend tijdens de trek. Maar grutto’s zijn er nog, en kieviten en tureluurs.

Het is een fraai gebied, met weilanden die niet volkomen vlak en geheel grasgroen zijn. Er staan pollen, er zijn flauwe hoogteverschillen, er zijn ondiepe plassen, diepere waaien (meertjes bij oude dijkdoorbraken) met rietkragen, droge greppels en sloten met zo helder water dat je de bodem kunt zien. Er bloeien paarde- en pinksterbloemen.

Er waggelen en dobberen wilde eenden, krakeenden, bergeenden, kuifeenden, slobeenden, wintertalingen en zelfs een zomertaling. Talingen zijn kleine eenden. Zomertalingen waren net als kemphanen en grutto’s ooit algemene weidevogels. Nu zijn zomertalingen zeldzaam.

De hellingen van dijkjes en oevers zijn doorregen van veldmuizenholen. Geen wonder dat er een kiekendief overvliegt met een muis in zijn grijpers. Zo’n kiekendief, zijn naam zegt het al, lust ook wel een kuiken. De weidevogels weten dat als geen ander en slaan meteen alarm. Door twee tureluurs, vier kieviten en zes grutto’s wordt de roofvogel aangevallen. Hij weet niet hoe snel hij ervandoor moet!

Tegen twaalf aanvallers is een kiekendief niet opgewassen. Een kraai al helemaal niet. Nu de weidevogelstand is gekelderd en de -dichtheid gering, zijn er meestal geen twaalf weidevogels per kraai of kiekendief meer, maar twaalf kraaien per weidevogel. Niet dat kraaien in aantal zijn toegenomen, ze zijn alleen minder in aantal achteruitgegaan dan weidevogels.

Op plekken waar kraaien doodgeschoten worden, doen weidevogels het niet beter dan op plekken met kraaien. Weidevogels zijn alleen nog talrijk waar boeren of beheerders hun best voor ze doen.

(Natuurdagboek Trouw maandag 29 april ’19)