Zaaddonor

Heggemus. Foto Koos Dijksterhuis

Twee dagen ga ik naar ons huisje op Schiermonnikoog. Ik neem vogelzaad mee. Dat hang ik voor het raam in zo’n plastic cilinder. De volgende ochtend vinden twee kool- en twee pimpelmezen de onverwachte lekkernij.

Tijdens mijn ontbijt kijk ik naar de mezen. Ik denk niet dat ze naar mij kijken. Ze zien me alleen als ik dichtbij het raam beweeg. Dan trekken ze zich even een meter terug. Ook de vogels die de door de mezen gemorste korrels opruimen, zien me pas als ik beweeg. De eerste die verschijnt is een fazantenhaan. Nietsvermoedend laat hij zich van een meter afstand fotograferen. Ik beweeg alleen als hij niet kijkt. Hij kijkt niet als hij me recht aankijkt, want zijn ogen staan aan de zijkanten van zijn kop. Als ik me terugtrek ziet hij dat en sprint hij geschrokken weg.

Zijn plaats wordt ingenomen door een roodborstje. Dat maalt niet om mijn bewegingen. Roodborstjes zijn een van onze brutaalste tuinvogels, al zal niemand dat koddige vogeltje graag brutaal noemen. De volgende die zich aandient is een merel, ook niet bang maar toch iets voorzichtiger dan het roodborstje. Merel en roodborst krijgen gezelschap van een schuwere soort: een heggemus scharrelt door de heg. Heggemussen zijn geen mussen; ze hebben een spitse snavel, tjilpen niet en zijn vaak alleen. De heggemus wordt gevolgd door een winterkoninkje. En dan verschijnen zelfs twee goudhaantjes, nóg kleiner dan de winterkoning.

Allemaal pikken ze een graantje mee, behalve het winterkoninkje en de goudhaantjes. Die willen insecten en trekken hun snaveltjes op voor zaad. Wacht maar tot je honger krijgt, ukkies, dan eet je wel korrels.

Ik ga de deur uit en als ik terugkeer is de zaadcilinder leeg! Op de grond loert een ekster naar hoe zijn grote achterneef de laatste restjes oppikt: een zwarte kraai. Als iemand schuw is, zijn het ekster en kraai wel. Beide smeren hem zodra ze me zien. Terwijl ik toch hun zaaddonor ben.

(Natuurdagboek Trouw maandag 17 dec. 18)